Watt, derde fragment, Nederlandse vertaling Onno Kosters (Het Beckett Blad nr. 17, winter1999).

Er kwam een vrouw met een hoofddoek om voorbij. Je kon vaag haar buik zien, die naar buiten stak, als een ballon.
    Zo heb ik er nooit uitgezien, schat, zei de dame, of wel?
    Niet dat ik weet, liefste, zei de heer.
    Weet je nog die nacht dat Larry geboren werd? zei de dame.
    Ja zeker, zei de heer.
    Hoe oud is Larry nu? zei meneer Hackett.
    Hoe oud is Larry, schat? zei de heer.
    Hoe oud is Larry? zei de dame. Larry wordt volgend jaar maart veertig, D.V.
    Zoiets veet Dee altijd, zei meneer Hackett.
    Zover zou ik niet willen gaan, zei de heer.
    Wilt u misschien horen, meneer Hackett, zei de dame, over de avond dat Larry werd geboren?
    Ja, dàt moet je hem vertellen, schat, zei de heer.
    Nou, zei de dame, 's morgens bij het ontbijt zegt Goff tegen me, Tetty, zegt hij, Tetty, mijn duifje, ik zou graag Thompson, Cream en Colquhoun willen vragen om ons de eend te komen helpen opeten, als je tenminste zeker weet dat je dat aankunt. Gut, schat, zeg ik, ik heb me nog nooit zo goed gevoeld. Dat zei ik toch, of niet?
    Ik geloof het wel, zei Goff.
    Nou, zei Tetty, toen Thompson de eetkamer binnenkwam, gevolgd door Cream en Berry (ik herinner me dat Colquhoun een eerdere afspraak had), zat ik al aan tafel. Zo raar was dat niet, want ik was de enige dame in het gezelschap. Je vond dat toch niet raar, of wel, liefje?
    Helemaal niet, zei Goff, heel gewoon.
    Ik had nauwelijks een hapje van de eend genomen, zei Tetty, of Larry begon in mijn barmoeder op en neer te springen.
    Uw wat? zei meneer Hackett.
    Mijn barmoeder, zei Tetty.
    U weet wel, zei Goff, haar baaarmoeder.
    Wat moet u zich opgelaten hebben gevoeld, zei meneer Hackett.
    Ik ging gewoon verder met eten en drinken en babbelen, zei Tetty, en Larry met springen, als een zalm.
    Dat moet een hele ervaring voor u zijn geweest, zei meneer Hackett.
    Soms dacht ik, werkelijk, dat hij eruit zou komen duikelen, en op de grond, aan mijn voeten zou belanden.
    Goeie genade, u voelde hem glippen, zei meneer Hackett.
    Ik liet er natuurlijk geen zier van merken, zei Tetty. Of wel, schat?
    Geen zier, zei Goff.
    En ik behield ook mijn gevoel voor humor. Wat een puddinkje, zei meneer Berry, kan ik me herinneren, terwijl hij zich met een glimlach naar me toe keerde, wat een verrukkelijk puddinkje, als een engeltje over de tong. Niet alleen over de tong, meneer, antwoordde ik, zonder een moment van aarzeling, niet alleen over de tong, mijn beste meneer. Niet te cheutig met je complimentjes, dacht ik nog.
    Niet te wat? zei meneer Hackett.
    Cheutig, zei Goff. U weet wel, niet te cheutig.
    Tijdens de koffie met likeur was de bevalling in volle vaart aan de gang, meneer Hackett, op mijn woord, en dat onder de zo rijkbeladen dis.
    Vaart is het goede woord, zei Goff.
    U wist toch wel dat ze zwanger was? zei meneer Hackett.
    Wel, eh, zei Goff, u moet weten, eh, ik, eh, wij, eh...
    Tetty liet haar hand spontaan op meneer Hacketts dijbeen vallen.
    Hij dacht dat ik maar deed alsof, riep ze uit. Hahahaha. Haha. Ha.
    Haha, zei meneer Hackett.
    Ik moet toegeven dat ik erg ongerust was, zei Goff.
    Uiteindelijk trokken jullie je terug, niet? zei Tetty.
    Dat klopt, zei Goff, wij gingen een potje snookeren in de biljartkamer.
    Ik ging de trap op, meneer Hackett, zei Tetty, op handen en knieën, en klampte me vast aan de roeden of het strohalmen waren.
    U leed zoveel pijn, zei meneer Hackett.
    Drie minuten later was ik moeder geworden.
    Zonder enige hulp, zei Goff.
    Ik deed alles eigenhandig, zei Tetty, alles.
    Met haar tanden verbrak ze de navelstreng, zei Goff, want ze had geen schaar bij de hand.
    Als het nodig was geweest had ik hem over mijn knie in tweeën geknapt, zei Tetty.
    Dat heb ik me nou vaak afgevraagd, zei meneer Hackett, hoe het voelt als de navelstreng wordt afgesneden.
    Voor de moeder of voor het kind? zei Goff.
    Voor de moeder, zei meneer Hackett, ik ben niet uit een bloemkool komen kruipen, dacht ik zo.
    Voor de moeder, zei Tetty, is het een gevoel van opluchting, van grote opluchting, zoals wanneer visite eindelijk naar huis gaat. Al mijn volgende navelstrengen werden afgesneden door professor Cooper, maar het gevoel was altijd hetzelfde, een gevoel van verlossing.
    Toen kleedde u zich aan en kwam naar beneden, zei meneer Hackett, met de kleine aan de hand.
    Wij hoorden het huilen, zei Goff.
    U kunt zich de verbazing indenken, zei Tetty.
    Cream had geweldig goed gespeeld, echt geweldig, kan ik me herinneren, zei Goff, ik heb nog nooit zoiets gezien. We stonden ademloos toe te kijken hoe hij zich klaarmaakte voor een uiterst dun te stoten lange bal, over zwart nog wel.
    Hoe roekeloos, zei meneer Hackett.
    Een volstrekt onmogelijke stoot, naar mijn mening, zei Goff. Hij wilde net aanleggen, toen we het kind hoorden huilen. Hij veroorloofde zich een krachtterm die ik niet zal herhalen.
    Arme kleine Larry, zei Tetty, alsof het zijn schuld was.
    Vertelt u maar niet verder, zei meneer Hackett, het is zinloos.
    De hemel in het noordwesten is buitengewoon, zei Goff, vindt u niet?
    Zo weelderig, zei Tetty. Je denkt dat het helemaal afgelopen is en dan ploep! licht hij weer op, met een nog grotere helderheid.
    Ja, zei meneer Hackett, je hebt welvingen en welvingen.
    Arme meneer Hackett, zei Tetty, arme lieve meneer Hackett.
    Ja, zei meneer Hackett.
    Geen familie zeker van de Hacketts uit Glencullen? zei Tetty.
    Daar ben ik van een ladder gevallen, zei meneer Hackett.
    Hoe oud was u toen? zei Tetty.
    Een, zei meneer Hackett.
    En waar was uw dierbare moeder? zei Tetty.
    Die was de deur uit, zei meneer Hackett.
    En uw papa? zei Tetty.
    Papa was in de steengroeve op de Prins Williamberg bezig, zei meneer Hackett.
    U was helemaal alleen, zei Tetty.
    De geit was er, is me verteld, zei meneer Hackett.
    Hij wendde zich af van de gevallen ladder in de donkere binnenplaats, en liet zijn blik gaan over de velden en de lage bouwvallige muurtjes, over het riviertje en langs de helling in de verte omhoog naar de rotswand die zich al in de schaduw bevond, en naar de zomerlucht. Zijn blik gleed naar beneden langs de veldjes die nog in de zon lagen, en werkte zich weer omhoog over de uitlopers naar de donkere rotswand, en hij hoorde in de verte het getik van de hamers.
    Ze had u helemaal alleen in de binnenplaats gelaten, zei Tetty, met de geit.
    Het was een prachtige zomerdag, zei meneer Hackett.
    Wat bezielde haar om zomaar de hort op te gaan? zei Goff.
    Ik heb het haar nooit gevraagd, zei meneer Hackett. De kroeg, of de kerk, of allebei.
    Arme vrouw, moge God haar vergeven, zei Tetty.
    Dat zou me niets verbazen, zei meneer Hackett.
    De avond valt nu snel, zei Goff, het zal gauw helemaal donker zijn.
    En dan gaan we allemaal naar huis, zei meneer Hackett.
    Aan de andere kant van de straat, tegenover waar zij zaten, stopte een tram. Die bleef een tijdje staan, en ze hoorden de woedende stem van de bestuurder. Toen reed hij door en liet, op de stoep, een bewegingsloos, eenzaam figuur achter, steeds minder fel beschenen door de verdwijnende lampen, tot het nauwelijks nog was te onderscheiden van de duistere muur erachter. Tetty wist niet zeker of het een man of een vrouw was. Meneer Hackett wist niet zeker of het geen pakket was, een vloerkleed bijvoorbeeld, of een rol zeildoek, verpakt in donker papier en in het midden bijeengebonden met een stuk touw. Goff stond op, zonder een woord te zeggen, en stak vlug de straat over. Tetty en meneer Hackett konden duidelijk zijn wilde gebaren zien, want hij had een lichte jas aan, en zijn stem horen, die een opgewonden betoog liet klinken. Maar Watt bleef onbewegelijk liggen, voorzover zij konden zien, alsof hij van steen was, en zo hij al sprak, dan sprak hij zo zacht dat zij hem niet hoorden.
    Meneer Hackett kon zich niet herinneren ooit meer geboeid te zijn geweest, nee, wanneer hij voor het laatst zo geboeid was geweest. Hij kon zich evenmin indenken wat hem eigenlijk zo boeide. Wat boeit me hierin zo? zei hij. Ik die zo zelden, en zo weinig, geboeid wordt door het buitengewone, het bovennatuurlijke. Er is hier, in mijn ogen, niets ongewoons aan de hand, en toch brand ik van nieuwsgierigheid, en ben ik een en al verbazing. Het is geen onprettig gevoel, dat niet, maar ik denk niet dat ik het langer dan twintig minuten, of een halfuur, zou kunnen uithouden.
    Ook de dame zat geïnteresseerd toe te kijken.
    Goff kwam terug en bleek heel boos. Ik herkende hem meteen, zei hij. Hij gebruikte een uitdrukking, met betrekking tot Watt, die wij hier niet zullen weergeven.
    Al zeven jaar lang, zei hij, krijg ik nog vijf shilling van hem, of beter gezegd, zesvijfenzeventig.
    Hij beweegt niet, zei Tetty.
    Hij betaalt niet, zei meneer Hackett.
    Hij wil best betalen, zei Goff. Hij wilde me vierdertig terugbetalen. Dat is al wat hij bezit.
    Dan zou hij u nog maar tweevijfentwintig schuldig zijn, zei meneer Hackett.
    Ik kan hem toch niet zomaar zonder een stuiver achterlaten, zei Goff.
    Waarom niet? zei meneer Hackett.
    Hij gaat op reis, zei Goff. Als ik zijn voorstel zou aanvaarden, zou hij moeten terugkeren.
    Dat zou misschien wel het beste voor hem zijn, zei meneer Hackett. Misschien zal hij eens, als wij allemaal dood zijn, terugkijken en zeggen: Als meneer Nesbit toen nou maar...
    Nixon, heet ik, zei Goff. Nixon.
    Als meneer Nixon toen nou maar mijn vierdertig had aangenomen, en als ik toen maar was teruggekeerd, in plaats van verdergegaan.
    Trouwens, het was toch vast een smoesje, zei mevrouw Nixon.
    O nee, zei meneer Nixon, hij is heel betrouwbaar, volstrekt niet in staat, denk ik, te liegen.
    U had toch minstens een shilling kunnen aannemen, of eenvijftig.
    Daar is hij, hij staat nu op de brug, zei mevrouw Nixon.
    Hij stond met zijn rug naar hen toe, vanaf zijn middel een vaag silhouet tegen een laatste zweem daglicht.
    U heeft ons nog niet verteld hoe hij heet, zei meneer Hackett.
    Watt, zei meneer Nixon.
    Over hem heb je het nog nooit gehad, zei mevrouw Nixon.
    Vreemd, zei meneer Nixon.
    Kent u hem al lang? zei meneer Hackett.
    Ik kan niet echt zeggen dat ik hem ken, zei meneer Nixon.
    Net een rioolbuis, zei mevrouw Nixon. Waar zouden zijn armen gebleven zijn?
    Sinds wanneer kunt u niet echt zeggen dat u hem kent? zei meneer Hackett.
    Beste man, zei meneer Nixon, vanwaar ineens die belangstelling?
    U hoeft geen antwoord te geven als u dat niet wilt, zei meneer Hackett.
    Het is een moeilijke vraag, zei meneer Nixon. Het lijkt alsof ik hem mijn hele leven al ken, maar er moet een tijd zijn geweest dat ik hem niet kende.
    Hoezo? zei meneer Hackett.
    Hij is veel jonger dan ik, zei meneer Nixon.
    En u hebt het nooit over hem? zei meneer Hackett.
    Ach, zei meneer Nixon, ik heb het vast wel eens over hem gehad, waarom eigenlijk niet? Weliswaar... Hij viel even stil. Het is niet iemand waar je gemakkelijk over praat, zei hij, sommige mensen zijn nu eenmaal zo.
    Ik niet, zei meneer Hackett.
    Hij is verdwenen, zei mevrouw Nixon.
    Kijk eens aan, zei meneer Nixon. Het vreemde is, beste man, eerlijk gezegd is het zo, dat als ik hem zie, of aan hem denk, dan denk ik aan u, en als ik u zie, of aan u denk, dan denk ik aan hem. Ik heb geen idee waarom.
    Hm, zei meneer Hackett.
    Hij is nu op weg naar het station, zei meneer Nixon. Ik vraag me af waarom hij dan hier is uitgestapt.
    Dit is het eindpunt van de goedkoopste rit, zei mevrouw Nixon.
    Dat hangt ervan af waar hij is opgestapt, zei meneer Nixon.
    Hij kan niet eerder zijn opgestapt dan bij de remise, zei meneer Hackett.
    Maar eindigt de goedkoopste rit hier, zei meneer Nixon, bij zomaar een halte? Die moet toch zeker bij het station eindigen.
    Dat zou ik ook denken, zei meneer Hackett.
    Waarom is hij dan hier uitgestapt? zei meneer Nixon.
    Misschien had hij zin om een frisse neus te halen, zei meneer Hackett, voordat hij zich in de trein moet opkrullen.
    Met al die problemen aan zijn hoofd zeker, zei meneer Nixon. Kom nou.
    Misschien heeft hij zich in de halte vergist, zei mevrouw Nixon.
    Maar dit is geen halte, zei meneer Nixon, niet in de gewone zin van het woord. Hier stopt de tram alleen op verzoek. En omdat er niemand anders uitstapte, en omdat er niemand anders instapte, moet het verzoek van Watt afkomstig zijn geweest.
    Hierop volgde een stilte. Toen zei mevrouw Nixon:
    Ik kan je niet volgen, Goff. Waarom zou hij de tram niet gevraagd hebben te stoppen, als hij dat had gewild?
    Daar is geen reden voor, schat, zei meneer Nixon, er is geen enkele reden waarom hij de tram niet zou hebben verzocht te stoppen, zoals hij ongetwijfeld heeft gedaan. Maar het feit dat hij de tram heeft verzocht te stoppen, bewijst dat hij zich niet had vergist in de halte, zoals jij denkt. Want als hij zich had vergist in de halte, en dacht dat hij al bij het station was, dan zou hij de tram niet hebben verzocht te stoppen. Want de tram stopt altijd bij het station.
    Misschien is hij malende, zei meneer Hackett.
    Soms komt hij een beetje vreemd over, zei meneer Nixon, maar hij is een ervaren reiziger.
    Misschien, zei meneer Hackett, zag hij dat hij wat tijd over had, en besloot hij die te verdrijven in de heerlijke koele avondlucht, in plaats van op dat ellendige station.
    Maar hij mist de trein, zei meneer Nixon, hij mist de laatste trein als hij niet opschiet.
    Misschien wilde hij de conducteur pesten, zei mevrouw Nixon, of de machinist.
    Maar een vriendelijker, minder pesterig figuur bestaat er niet, zei meneer Nixon. Hij zou je letterlijk de andere wang toekeren, geloof ik zonder meer, als hij er de energie voor had.
    Misschien, zei meneer Hackett, besloot hij plotseling om toch maar niet te vertrekken. Tussen de remise en hier had hij de tijd de zaak nog eens te overdenken. En dan, nadat hij heeft besloten dat het toch beter is om juist vanavond niet uit de stad te vertrekken, vraagt hij de tram te stoppen en stapt hij uit, want het is zinloos om verder te gaan.
    Maar hij ging wel verder, zei meneer Nixon, hij ging niet dezelfde weg terug, maar hij ging verder, in de richting van het station.
    Misschien gaat hij via een omweggetje naar huis, zei mevrouw Nixon.
    Waar woont hij? zei meneer Hackett.
    Voorzover ik weet, heeft hij geen vaste verblijfplaats, zei meneer Nixon.
    Dan zegt het helemaal niets dat hij doorliep naar het station, zei mevrouw Nixon. Misschien ligt hij op dit moment wel in diepe rust in het Quinn-hotel.
    Met vierdertig op zak? zei meneer Hackett.
    Of ergens op een bank, zei mevrouw Nixon. Of in het park. Of op het cricketveld. Of op de bowlingbaan.
    Of in het tennispark, zei meneer Nixon.
    Ik denk van niet, zei meneer Hackett. Hij stapt uit, vastbesloten om toch maar niet uit de stad te vertrekken. Maar na enig doordenken komt hij achter de idiotie daarvan. Zo zou je zijn houding kunnen verklaren nadat de tram was doorgereden, en hem had achtergelaten.
    De idiotie waarvan? zei meneer Nixon.
    Van zo spoedig terug te keren, zei meneer Hackett, voordat hij goed en wel onderweg was.
    Wat zag hij er vreemd uitgedost uit, hè? zei mevrouw Nixon. Wat was dat op zijn hoofd?
    Zijn hoed, zei meneer Nixon.
    De gedachte de stad te verlaten was uiterst pijnlijk voor hem, zei meneer Hackett, maar de gedachte dat niet te doen in niet geringere mate. Dus gaat hij op weg naar het station, met in zijn achterhoofd de vage hoop de trein te misssen.
    Misschien heeft u gelijk, zei meneer Nixon.
    Te huiverig om zelf een dergelijke zwaarwegende beslissing te nemen, zei meneer Hackett, verschuift hij het probleem naar het kille systeem van tijd en ruimte.
    Heel aardig gevonden, zei meneer Nixon.
    En wat denkt u dat hem ineens zo huiverig maakt? zei mevrouw Nixon.
    De reis op zich kan het moeilijk zijn, zei meneer Hackett, want u zegt me net dat hij een ervaren reiziger is.
    Daarop volgde een stilte.
    Nu ik dat duidelijk heb gemaakt, zei meneer Hackett, kunt u uw vriend misschien wat vollediger beschrijven.
    Ik zou u echt niets kunnen vertellen, zei meneer Nixon.
    U moet toch iets van hem afweten? zei meneer Hackett. Men leent toch geen vijf shilling aan een schim? Nationaliteit, familie, geboorteplaats, geloof, beroep, middelen van bestaan, opvallende kenmerken, u weet toch wel iets van dat alles.
    Helemaal niets, zei meneer Nixon.
    Hij is toch niet uit de lucht komen vallen? zei meneer Hackett.
    Ik zeg u toch dat ik niets van hem af weet, riep meneer Nixon. Niets.
    Op deze boze woorden volgde een stilte, die meneer Hackett hinderlijk vond, die meneer Nixon pijnlijk vond.
    Hij heeft een hele grote rode neus, zei meneer Nixon met tegenzin.
    Meneer Hackett liet dat even bezinken.
    Je bent toch niet in slaap gevallen, schat? zei meneer Nixon.
    Ik krijg wel zo langzamerhand slaap, zei mevrouw Nixon.
    Het is iemand die u uw hele leven schijnt te hebben gekend, zei meneer Hackett, die u al zeven jaar lang vijf shilling schuldig is, en het enige dat u me kunt vertellen is dat hij een hele grote rode neus heeft en geen vaste verblijfplaats. Hij dacht even na. Hij voegde eraan toe: En dat hij een ervaren reiziger is. Hij dacht even na. Hij voegde eraan toe: En dat hij een stuk jonger is dan u, wat wel vaker voor zal komen, lijkt me zo. Hij dacht even na. Hij voegde eraan toe: En dat hij eerlijk en vriendelijk is, en soms een beetje vreemd overkomt. Hij wierp een boze blik omhoog naar meneer Nixons gezicht. Maar meneer Nixon zag die boze blik niet, want hij keek heel ergens anders naar.
    We moesten er maar weer eens vandoor gaan, zei hij, of niet, schat?
    Zo direct worden de laatste bloemen opgeslokt, zei mevrouw Nixon.
    Meneer Nixon stond op.
    Het is iemand die u al zo lang als u zich herinnert, kent, zei meneer Hackett, aan wie u zeven jaar geleden vijf shilling heeft geleend, die u direct herkent, op ruime afstand, in het donker. U zegt dat u geen idee heeft waar hij vandaan komt. Ik ben wel verplicht u te geloven.
    U bent tot niets verplicht, zei meneer Nixon.
    Ik kies ervoor u te geloven, zei meneer Hackett. En dat u me niet kunt vertellen wat u niet weet, ben ik ook bereid te geloven. Het is een veel voorkomend gebrek.
    Tetty? zei meneer Nixon.
    Maar er zijn bepaalde dingen die u wel moet weten, zei meneer Hackett.
    Zoals? zei meneer Nixon.
    Hoe u hem hebt leren kennen, zei meneer Hackett. In wat voor omstandigheden hij met u in aanraking is gekomen. Waar hij zoal uithangt.
    Wat maakt het uit wie hij is? zei mevrouw Nixon. Ze stond op.
    Geef me een arm, schat, zei meneer Nixon.
    Of wat hij doet, zei mevrouw Nixon. Of hoe hij leeft. Of waar hij zoal uithangt. Of hoe hij eruitziet. Wat heeft dat met ons van doen?
    Dat vraag ik mezelf ook af, zei meneer Hackett.
    Hoe ik hem heb ontmoet? zei meneer Nixon. Ik kan me er echt niet meer van herinneren dan van hoe ik mijn vader heb ontmoet.
    Grote God, zei meneer Hackett.
    In wat voor omstandigheden hij met mij in aanraking is gekomen? zei meneer Nixon. Ik ben hem op een dag tegengekomen op straat. Hij liep op een sok en een schoen. Aan welke voet wat weet ik niet meer. Hij nam me terzijde en zei dat hij vijf shilling nodig had om een schoen te kopen. Dat kon ik niet weigeren.
    Maar je koopt toch niet één schoen, riep meneer Hackett uit.
    Misschien wist hij waar hij er ergens een op maat kon laten maken, zei mevrouw Nixon.
    Daar weet ik niets van, zei meneer Nixon. En wat betreft de plaats waar hij zoal uithangt, hij hangt regelmatig uit op straat, hij zwerft wat rond. Maar je ziet hem niet vaak.
    Hij heeft natuurlijk op de universiteit gezeten, zei mevrouw Nixon.
    Dat is, denk ik, heel waarschijnlijk, zei meneer Nixon.
    Meneer en mevrouw Nixon vertrokken, arm in arm. Maar ze waren nog niet ver, of ze kwamen weer terug. Meneer Nixon boog zich voorover en fluisterde iets in meneer Hacketts oor, meneer Nixon die het vervelend vond als een gesprek stokte bij de eerste tekenen van wrevel.
    Drank, zei meneer Hackett.
    O, lieve help, nee, zei meneer Nixon, hij drinkt alleen melk.
    Melk? riep meneer Hackett uit.
    Zelfs van water blijft hij ver, zei meneer Nixon.
    Wel, zei meneer Hackett vermoeid, ik zal u maar bedanken voor de informatie.
    Meneer en mevrouw Nixon vertrokken, arm in arm. Maar ze waren nog niet ver, of ze hoorden iemand roepen. Ze bleven stilstaan, en luisterden. Het was meneer Hackett, die door de avond riep, Aangenaam kennis te maken, mevrouw Nisbet. Mevrouw Nixon greep meneer Nixons arm steviger vast en riep terug: Tot genoegen, meneer Hackett.
    Wat? riep meneer Hackett.
    Ze zegt: tot genoegen, riep meneer Nixon.
    Meneer Hackett greep de armleuningen weer vast. Hij trok zich een paar keer, vlug achtereen, naar voren, en liet zich dan weer naar achteren vallen, om zo de top van zijn bochel aan de rugleuning te krabben. Hij keek naar de horizon die hij had willen zien, waarvan hij zo weinig had gezien. Het was nu helemaal donker. Ja, de lucht in het westen was nu als die in het oosten, die was als die in het zuiden, die was als die in het noorden.

Voetnoot1. In dit werk is veel ruimte bespaard, die anders verloren zou zijn gegaan, door het zwaarwichtige wederkerend voornaamwoord volgend op zeggen, buiten beschouwing te laten.